Uw garantie op kwaliteitsvol, juridisch advies

Het retentierecht bij faillissement: Aangifte schuldvordering vergeten? Geen nood!

1.

Wanneer men als schuldeiser een goed onder zich heeft van een schuldenaar waarvan er wordt gevreesd dat zijn financiële toestand precair is, dan is het raadzaam om dit goed onder zich te houden in afwachting van betaling.

Op grond van het retentierecht heeft een schuldeiser het recht om de teruggave van een goed – dat hem door zijn schuldenaar werd overhandigd - op te schorten zolang de schuldenaar in gebreke blijft de schuldvordering met betrekking tot dat goed te voldoen. Het retentierecht kan aldus worden gebruikt als drukmiddel om facturen betaald te krijgen.

Sinds 1 januari 2018 is het retentierecht wettelijk verankerd in de Pandwet.

In het kader van een faillissement is het in principe de strikte regel dat schuldeisers tijdig aangifte moeten doen van hun schuldvordering in de faillissementsboedel om in aanmerking te komen voor de uitdeling. Het recht om een aangifte te doen verjaart na verloop van een jaar na faillissementsvonnis. Bij gebrek aan een tijdige en correcte aangifte komt de schuldvordering principieel niet in aanmerking bij uitdeling van de boedel Deze regel was destijds opgenomen in artikel 72 van de oude Faillissementswet, thans overgenomen in artikel XX.165 Wetboek Economisch recht. 

Jarenlang was er discussie over de precieze draagwijdte van het retentierecht in het kader van een faillissement. 

Twee recente cassatiearresten brengen verandering in deze jarenlange rechtsonzekerheid.

2.

Op 16 januari 2020 bevestigt het Hof van Cassatie voor het eerst dat de uitoefening van het retentierecht na faillissement niet gebonden is aan het feit of men al dan niet tijdig heeft gezorgd voor een aangifte van schuldvordering.

Het Hof voegt eraan toe dat de curator en de schuldeiser in onderling overleg kunnen beslissen om het goed waarop het retentierecht rust te verkopen. De schuldeiser kan dan zijn rechten op de prijs uitoefenen overeenkomstig de met de curator gemaakte afspraken.

Voordien was de situatie van de houder van een retentierecht een stuk onzekerder. Bij gebrek aan een aangifte en een akkoord met een curator, verloor deze immers automatisch zijn rechten vanaf vrijgave van de goederen. 

Het Hof van Cassatie neigt in haar recente rechtspraak aldus naar een extra bescherming voor de houder van een retentierecht in het kader van een faillissement. 

3.

In haar arrest van 12 maart 2020 bevestigt het Hof van Cassatie nogmaals het eerder ingenomen standpunt. 

In deze zaak ging het evenwel niet over de houder van een retentierecht, maar wel over een hypothecair schuldeiser.

Het Hof motiveerde in dit arrest kort dat hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers niet kunnen uitgesloten worden omwille van het loutere feit dat zij nalieten een aangifte van hun schuldvordering te doen. Net zoals de retentor is de hypothecaire schuldeiser een separatist in het faillissement. 

Het Hof baseerde zich voor haar oordeel op art. 1326 Ger.W., dat voorziet dat de verkoop door de curator van de onroerende goederen van de gefailleerde van rechtswege de overwijzing meebrengt van de prijs ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers.

4.

In het licht van deze twee recente arresten kunnen de hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers (waaronder de houders van een retentierecht) bij een faillissement voortaan aldus op hun beide oren slapen, zelfs al zorgde men niet tijdig voor een aangifte van hun schuldvordering in de boedel. Op grond van deze rechtspraak zal er te allen tijde rekening moeten worden gehouden met hun schuldvordering bij uitdeling.