Uw garantie op kwaliteitsvol, juridisch advies

Artikel 3.77 Nieuw Burgerlijk Wetboek en de uitonverdeeldheidtreding bij de beëindiging van het feitelijk samenwonen

Het artikel 3.77 Nieuw Burgerlijk wetboek laat aan feitelijke samenwoners enerzijds volop de contractuele vrijheid om de duur van de onverdeeldheid tussen hen vast te leggen, alsook de modaliteiten van beëindiging/opzegging en reikt hen anderzijds een wettelijke basis aan om toch te kunnen opzeggen, ingeval zij contractueel niets hebben voorzien.


1.

Het nieuw goederenrecht, goedgekeurd bij Wet van 4 februari 2020, werd in Boek 3 van het nieuw Burgerlijk Wetboek ingevoegd. Het bevat een aantal belangrijke innovaties in diverse domeinen van deze rechtstak. De meeste bepalingen van de nieuwe wet zijn, mits inachtneming van het principe der eerbiedigende werking, van toepassing geworden vanaf 21 september 2021.

In deze bijdrage willen we in het bijzonder het artikel 3.77 Nieuw Burgerlijk Wetboek even onder de loep nemen en het belang ervan voor de uitonverdeeldheidtreding tussen ex-feitelijke samenwoners, die hun relatie hebben beëindigd, duiden.


2.

De  rechtsgrond, die in het verleden bij vrijwel elke vordering tot uitonverdeeldheidtreding werd ingeroepen, was het artikel 815 (oud) Burgerlijk Wetboek. Dat huldigde het principe “dat niemand kan genoodzaakt worden in onverdeeldheid te blijven” en “dat de verdeling te allen tijde kan gevorderd worden”.

Deze rechtsgrond was echter niet in alle gevallen bruikbaar doordat, na veel controverse in rechtsleer en rechtspraak, het Hof van Cassatie in een arrest van 2013 oordeelde dat het artikel 815 Oud Burgerlijk Wet boek niet van toepassing was bij een mede-eigendom/onverdeeldheid, die vrijwillig was tot stand gekomen.

Een klassiek voorbeeld van een onverdeeldheid die vrijwillig tot stand is gekomen, is de situatie waar twee feitelijk samenwonenden samen een woning aankopen, al dan niet met een beding van aanwas of een tontine, waardoor er tussen hen een onverdeeldheid tot stand komt. 

Quid wanneer er een einde komt aan de relatie en de partijen niet in der minne tot een regeling en verdeling komen ?

Weliswaar konden deze feitelijke samenwoners voorheen contractueel vastgelegd hebben

- dat de verdeeldheid tussen hen tijdelijk was;

- wat er met de onverdeeldheid diende te gebeuren zo aan de relatie een einde kwam;

- dat, ingeval partijen niet kwamen tot een minnelijke verdeling, de uitonverdeeldheid door elke partij kon afgedwongen worden.

Een probleem stelde zich echter in de gevallen, waar er tussen de ex-feitelijke samenwoners geen contractueel beding bestond. 

Strikt genomen was er geen contractuele noch wettelijke basis om aan de vrijwillig tot stand gekomen onverdeeldheid een einde te maken, zo één der partijen medewerking weigerde.

Het is uiteraard een weinig werkbaar gegeven dat een onverdeeldheid tussen twee personen die hun relatie hebben beëindigd, nog tot in lengte van dagen moet blijven voortbestaan. 

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de rechtspraak naar pragmatische oplossingen zocht om de rigide Rechtspraak van het Hof van Cassatie te temperen. Dit gebeurde op verschillende wijzen:


- in bepaalde gevallen werd aangenomen dat partijen eigenlijke impliciet een bepaalde duur voor de vrijwillige onverdeeldheid waren overeengekomen, nl. de 

        duur van de relatie tussen hen beiden;

- verder werd de notie “verval van oorzaak” gehanteerd, die steunt op de gedachte dat de onverdeeldheid geen enkel bestaansreden meer heeft, eenmaal de 

        feitelijke relatie was beëindigd;

- ook werd het gebrek aan uitzicht om tot een uitonverdeeldheidtreding te komen aanzien als een inbreuk op het algemeen rechtsbeginsel “dat men zich niet 

        voor eeuwig kan verbinden”;

- tenslotte werd ook in bepaalde gevallen het principe “rechtsmisbruik” ingeroepen tegen de partij die zich om onaanvaardbare redenen verzette tegen de 

        verdeling.


3.

Niettegenstaande er zich een soepelere rechtspraak ontwikkelde, bleef de visie van het Hof van Cassatie  en het aangehaalde arrest van 2013, toch steeds als een soort “zwaard van Damocles” hangen boven elke procedure tot uitonverdeeldheidtreding, die door ex-feitelijke samenwoners werd ingeleid, en bleef er rechtsonzekerheid bestaan.

De wetgever heeft deze rechtsonzekerheid met het artikel 3.77 (Nieuw) Burgerlijk Wetboek uit de wereld willen helpen.

De nieuwe regels maken een onderscheid tussen de vrijwillige onverdeeldheid voor bepaalde duur en deze voor onbepaalde duur.


4.

De vrijwillige onverdeeldheid die door partijen werd overeengekomen voor een bepaalde duur dient door hen gerespecteerd te worden. Er is in principe geen vervroegde opzegmogelijkheid.

Dat de vastgestelde duur dient bepaald te zijn, betekent echter niet dat er reeds een bepaalde datum van beëindiging dient te zijn overeengekomen. Ook een mede-eigendom overeengekomen voor de duur van de feitelijke relatie, voldoet aan het criterium en heeft een bepaalde duur.  In dergelijk geval zal de onverdeeldheid dus dienen gerespecteerd te blijven tijdens de volledige duur van het feitelijk samenwonen. Daarna kan de uitonverdeeldheidtreding wel gevorderd worden.


5.

De vrijwillige onverdeeldheid van onbepaalde duur kan, in de lijn van de vroegere Cassatie-rechtspraak, ook onder de nieuwe regeling niet zomaar beëindigd worden door een verdeling.

De nieuwigheid van artikel 3.77 bestaat er echter in dat er een wettelijke mogelijkheid (niettegenstaande andersluidend contractueel beding) bestaat voor elk van de onverdeelde eigenaars om de overeenkomst waarbij de onverdeeldheid tot stand kwam, op te zeggen. Dit laatste kan mits het respecteren van een redelijke opzeggingstermijn (maximum 5 jaar), die door de partijen wordt overeengekomen. Is er geen akkoord omtrent de duur van deze opzeggingstermijn, dan beslist de Rechter, rekening houdende met een aantal factoren, die in de wet zijn omschreven: 

- de door de partijen reeds gemaakte kosten,

- het voortbestaan van de doorslaggevende beweegreden die partijen ertoe heeft aangezet om de vrijwillige mede-eigendom tot stand te brengen en

- het nadeel dat uit de beëindiging voor de andere deelgenoot voortvloeit. 

Op basis van deze criteria zal de Rechter de te respecteren opzeggingstermijn vastleggen.


6.

Besluit


De nieuwe bepaling van artikel 3.77 (nieuw) B.W. heeft wel degelijk een impact op de beëindiging van de vrijwillige onverdeeldheid die tussen feitelijk samenwonenden was gecreëerd.

In eerste instantie kunnen de feitelijke samenwoners contractueel de duur van hun onverdeeldheid vastleggen (dus een vrijwillige onverdeeldheid van bepaalde duur in het leven roepen). Eenmaal die termijn is verstreken kan, behoudens verlenging of vernieuwing van de termijn, de verdeling gevorderd worden. Gebruikelijk zal wellicht voorzien worden dat de onverdeeldheid duurt zolang de relatie duurt. Is de relatie beëindigd, dan kan de verdeling gevorderd worden.

Maar ook als de feitelijke samenwoners contractueel geen duur hebben voorzien (dus een vrijwillige onverdeeldheid van onbepaalde duur in het leven roepen) zullen  zij steeds een opzegmogelijkheid hebben.  

Deze kunnen zij vooraf contractueel moduleren (naar termijn / motieven die de beëindiging rechtvaardigen/ formaliteiten tot beëindiging). Ingeval een partij de overeengekomen voorwaarden niet respecteert, kan dit aanleiding geven tot het verschuldigd zijn van een schadevergoeding aan de wederpartij. Ingeval de feitelijke samenwoners de opzegmogelijkheid niet hebben voorzien bij overeenkomst, kent de wet er hen voortaan één toe. De duur van de opzegtermijn wordt bij akkoord bepaald tussen de onverdeelde medeëigenaars of bij afwezigheid van akkoord door de Rechter. 

De conclusie is dat het nieuw artikel 3.77 volop de contractuele vrijheid laat aan feitelijke samenwoners om de duur van de onverdeeldheid tussen hen vast te leggen alsmede de modaliteiten van beëindiging/opzegging en anderzijds een wettelijke basis aanreikt, om toch te kunnen opzeggen, zelfs ingeval zij contractueel niets hebben voorzien.

Het zal aan de rechtspractici zijn om de rechtszoekenden op deze mogelijkheden te wijzen, en om hen achteraf, bij beëindiging van de relatie van feitelijk samenwonen, een nodeloos beroep op de Rechter te besparen.

Voor meer info en bijstand kan u steeds bij VDV advocaten terecht.